Zum Teufel mit den Ideen – würden die Menschen immer tun, was nach nüchterner Erwägung ihr eigennützigstes Interesse ist, wäre die Welt in Ordnung. Wer will sterben und hungern? Niemand. Würden die Menschen nicht von ihren Ideen oder ihrem Gott verrückt gemacht, zöge keiner in den Krieg, wo man hungern und krepieren muß.

In een schrijnend (maar hoe schitterend geschreven!) joods oorlogsrelaas uit de Hongaarse klassieke literatuur komt een gedachte voorbij die al langer de mijne is. Al dan niet oorlog voeren hangt niet af van deze of gene idee, maar wel van de bereidheid om bloed te vergieten voor een overtuiging. Deze wil heeft geen enkel individu uit zichzelf – ze wordt hem opgedrongen.

 

(Béla Zsolt, Neun Koffer. Vert. Angelika Máté. DTV, 2002, p. 139)

In Zilveren Verpozingen. Berichten van de Felix Timmermanskring word ik op de valreep van 2016 herinnerd aan een mooi boek dat ik vijftien jaar geleden las in mijn kleine kamer op de Antwerpse Ossenmarkt. (Ik zat toen letterlijk dicht bij het Letterenhuis. Nu minder letterlijk, maar vaak nog even nabij.) Een mooi boek over een van mijn oude liefdes, waarin de oudste eerste bladzijde wordt geciteerd van Palllieter – bladzijde die het meesterwerk niet haalde:

Alvorens Pallieter in en om het buitenhuis ´Reinaart de Vos´ zijn leutig leven begon, woonde hij in het bedrijvige kruideniersstadje en schreef er tegen heug en meug op een schemerig, stoffig bureel van een koopman in vodden en beenen, oud ijzer en konijnenvellekens. Te huis na wandelingen langs de koele, rappe Nethe, doorblokte hij alle wetenschap, godsdienst, kennis en wijsbegeerte, want Pallieter zocht naar de Waarheid om de palingslibberige en vlugge Waarheid te ontdekken, grijpen en vast te houden. Dat duurde zoo sinds jaren, maar op een schoonen witten winterschen dag zag hij dat het allemaal was, koekoek-eenen-zang en kwam tot het besluit dat alle geleerde sophisten, heiligen en profeten en Meesters en gansch de boel naar de waarheid sloegen als een blinde naar een ei. Dat zij allen ondereen vochten lijk hanen om een hen met een gouden gat. Ieder leefde rats verkeerd en keerden hun gat naar de zon. Ze sloegen den bal mis.

 

(Gecit. uit: August Keersmaekers, Het geluk van een schrijver. Felix Timmermans en zijn Pallieter. Pandora, 2000)

 

 

In de Eerste Wereldoorlog worden bij Streuvels in het Lijsternest vluchtelingen ondergebracht – mensen van omliggende gemeenten, die door bombardementen have en goed hadden verloren. Als op 5-6 juli 1917 een van die groepen vluchtelingen weer vertrekt, noteert Streuvels in zijn dagboek het volgende.

 

Nu eerst wordt men gewaar hoe men aan malkander gehecht is en het pijnlijk gevoel komt met een prop in de keel bij ´t gedacht aan het ellendig lot van die mensen die niets meer bezitten dan ´t geen ze aan hun lijf hebben en aan de hand meenemen kunnen, – die hier nu een onderkomen gevonden hadden en een nieuwe thuis; en nu weer op een vreemde, opnieuw [aan] het toeval overgeleverd worden en het onbekende in moeten. Mensen van ons volk, die het niet méér verdiend hebben dan wij, en door het noodlot geslagen zijn… […] Het is alsof we onze eigen broers en zusters verlaten moeten zonder te weten of we hen nog ooit zullen weerzien. Die mensen door het toeval op onze baan geworpen, hebben ons hun eigen leed medegedeeld, en nog nooit gelijk nu heb ik de lust gevoeld om duchtig uit te wenen, niet om eigen lijden maar om het lijden van anderen. […] Het pijnlijkst om aan te zien is het afscheid van de kinderen. Een paar knapen hadden zich in de zes weken dat ze hier in huis gewoond hadden, zich zodanig met onze kinderen bevriend en gemakkerd, – al die schone zomeravonden hadden zij samen gespeeld en gerobbeld, krieken geplukt, zijdeworms gekweekt en met duizend dingen bezig geweest, dat ze hier heel ingegroeid waren alsof het voor altijd was en aan scheiden nooit hebben gedacht, – en nu komt het hen opeens overvallen als een ramp.

 

(In Oorlogstijd. Het volledige dagboek van de Eerste  Wereldoorlog.                                                            Ed. Luc Schepens 1979, p. 626-627.)

De indruk die de geschiedschrijving van Maalouf [over de kruistochten] bij mij teweegbracht, was overigens even deprimerend als die van de huidige oorlogen in Syrië: een onoverzichtelijke machtsstrijd die door religieus absolutisme wordt verhevigd en onoplosbaar lijkt te worden. In dit hele somber stemmende geschiedverhaal brak eenmaal voor mij een lichtstraal door. Dat gebeurt wanneer Frederik von Hohenstaufen, volgens Burckhardt een vroege Renaissancevorst, op kruistocht gaat. Om in Rome door de paus tot keizer van het Duitse Rijk en Sicilië gekroond te worden, heeft hij moeten beloven een kruistocht te ondernemen om Jeruzalem, dat weer in moslimhanden was gevallen, te heroveren. Frederik onderhoudt goede contacten met sultan al-Kamel van Egypte, die ook Jeruzalem beheerst. Beide verlichte vorsten corresponderen over de logica van Aristoteles, over het ontstaan van het universum en de onsterfelijkheid van de ziel. Vanuit hun wereldse belangstelling kijken ze met afgrijzen naar de eindeloze en nutteloze religieuze twisten in het Midden-Oosten. Omdat Frederik op straffe van excommunicatie zijn belofte aan de paus moet waar maken, biedt de sultan hem Jeruzalem aan in ruil voor het opgeven van een aantal christelijke versterkingen. Volgens Maalouf spelen bij beide vorsten vooral politieke en militaire overwegingen een rol. De religieuze geschiedenis van de stad komt voor beiden zeker niet in de eerste plaats. Er wordt onderhandeld en Frederik trekt zonder strijd Jeruzalem binnen.

Zijn eerste daad daar is volgens een Arabische kroniek het tegenhouden van een fanatieke christelijke priester die triomferend met een kruis in de hand een moskee wil binnendringen. Frederik dreigt iedere christen die tot zulke daden overgaat, de ogen te zullen uitsteken. De volgende morgen vraagt hij aan een moslimgeestelijke waarom hij de oproep tot het gebed niet heeft horen klinken. Dat was bedoeld om de nachtrust van de keizer te beschermen, luidt het antwoord. Ook deze geestelijke wordt door Frederik terechtgewezen, zij het wat vriendelijker. Hij had niet zo moeten handelen, want de keizer had juist besloten om in Jeruzalem te blijven slapen om de nachtelijke oproep tot het gebed weer eens te beluisteren.

 

Hans Achterhuis, ´Heilige oorlog, martelaarschap en terrorisme´. In: Streven, febr. 2016.

WP_20160527_001.jpg

Bij het aardbeien plukken vanochtend vroeg dacht ik: ik beleef hier nu zoveel plezier aan, en toen mijn vader mij als kind vroeg te helpen, wilde ik dat het meteen gedaan was. Ik had liever dat mijn zus of broer het werk zouden doen. Nu kan ik uren in zo´n veld bezig zijn.

Lange tijd dacht ik dat (voor de hand liggend) te verklaren door nabootsing: iedereen gaat op den duur zijn ouders imiteren, willen of niet – de internalisering van een voorbeeld – een in de psychologie natuurlijk al lang bekend verschijnsel. Maar ik denk dat men veel te vaak – en steeds meer, want het is niet politiek correct – een andere factor vergeet te noemen. Ik denk dat de vreugde er nu is omdat het MIJN tuin is. Het is een groot verschil, werken voor zichzelf of voor iemand anders. Het is zelfs alles, dit verschil. De weg naar de vreugde loopt vanuit mijzelf.

 

Altijd al heb ik het vreemd gevonden, dat pleidooi om alleen maar handelingen uit te voeren die je in staat stellen je zelfrespect te bewaren en daarnaast het pleidooi om het eigen zelf aan de kant te zetten, ja uit te schakelen. De twee kunnen rationeel niet samen gaan.

Is er iets mis met onze concepten, met onze ideeën over ´ik´, ´egoïsme´, ´eigenbaat´, ´zelfgenoegzaamheid´?

Ja, en nog geen klein beetje. Dat toont Ayn Rand in haar magistrale roman The Fountainhead – die er vandaag meer dan ooit toe doet.

´Notice the malignant kind of resentment against any idea that propounds independence. Notice the malice toward an independent man.´

´I think the only cardinal evil on earth is that of placing your prime concern within other men.´

Stel dat ik nog één keer iets zou mogen zeggen.

Ik zou spreken met Ayn Rand, in The Fountainhead: ´By what conceivable right can anyone demand that a human being exist for anything but for his own joy?´

Of ik zou het antwoord kiezen van Belgiës grootste fysicus Thomas Hertog, op de vraag waarom hij dagelijks wiskundige formules oplost: ´We doen dat omdat we dat graag doen´.

Of ik zou spreken met Stijn Streuvels, in een briefkaart aan zijn verloofde: ´Wij verleven ons dagen goed. ´t Zijn dommeriks die ´t anders doen.´

Of het kernachtigst nog met Augustinus: ´Heb lief en doe wat je wilt.´

Toen Simon Wijnands zag, dat het donkeravond begon te worden over de peel, toen legde hij zijn tuig aan de kant.

Vanaf morgen ga ik even drie maanden zwerven, om de routine te doorbreken en haar daarna weer volop te smaken. Schrijvers hebben die routine soms schitterend weergegeven, zoals in bovenstaande romanopening.

 

(Antoon Coolen, Het donkere licht, 1929, citaat uit de 13de druk)

 

 

In een vrij ridicuul stuk in De Morgen valt vandaag zowaar de naam Erich Maria Remarque, een van de beste auteurs die ik ken. ´Het zal nog even duren eer de fanatische terroristen Remarques roman Van het westelijk front geen nieuws begrijpen´, stelt de schrijver van het krantenartikel. Maar het zal ook nog lang duren eer hijzelf het boek begrijpt, denk ik als ik daarna lees dat een van zijn voorstellen om terreuraanslagen te helpen verhinderen het leren van Arabisch is.

In een van de vele onvergetelijke passages in Remarques meesterwerk over 14-18 brengt De Duitse keizer een bezoek aan de loopgraven in Frankrijk en ontstaat onder de soldaten een filosofisch gesprek.

Es wird mächtig geputzt. Ein Appell jagt den andern. Von allen Seiten werden wir revidiert. Was zerrissen ist, wird umgetauscht gegen gute Sachen. Ich erwische dabei einen tadellosen neuen Rock, Kat natürlich sogar eine volle Montur. Das Gerücht taucht auf, es gäbe Frieden, doch die andere Ansicht ist wahrscheinlicher: daß wir nach Rußland verladen werden. Aber wozu brauchen wir in Rußland bessere Sachen? Endlich sickert es durch: der Kaiser kommt zur Besichtigung. Deshalb die vielen Musterungen.

Acht Tage lang könnte man glauben, in einer Rekrutenkaserne zu sitzen, so wird gearbeitet und exerziert. Alles ist verdrossen und nervös, denn übermäßiges Putzen ist nichts für uns und Parademarsch noch weniger. Gerade solche Sachen verärgern den Soldaten mehr als der Schützengraben. Endlich ist der Augenblick da. Wir stehen stramm, und der Kaiser erscheint. Wir sind neugierig, wie er aussehen mag. Er schreitet die Front entlang, und ich bin eigentlich etwas enttäuscht: nach den Bildern hatte ich ihn mir größer und mächtiger vorgestellt, vor allen Dingen mit einer donnernden Stimme.

Er verteilt Eiserne Kreuze und spricht diesen und jenen an. Dann ziehen wir ab.

Nachher unterhalten wir uns. Tjaden sagt staunend: „Das ist nun der Alleroberste, den es gibt. Davor muß dann doch jeder strammstehen, jeder überhaupt!“ Er überlegt: „Davor muß doch auch Hindenburg strammstehen, was?“

„Jawohl“, bestätigt Kat.

Tjaden ist noch nicht fertig. Er denkt eine Zeitlang nach und fragt: „Muß ein König vor einem Kaiser auch strammstehen?“

Keiner weiß das genau, aber wir glauben es nicht. Die sind beide schon so hoch, daß es da sicher kein richtiges Strammstehen mehr gibt.

„Was du dir für einen Quatsch ausbrütest“, sagt Kat. „Die Hauptsache ist, daß du selber strammstehst.“

Aber Tjaden ist völlig fasziniert. Seine sonst sehr trockene Phantasie arbeitet sich Blasen.

„Sieh mal“, verkündet er, „ich kann einfach nicht begreifen, daß ein Kaiser auch genauso zur Latrine muß wie ich.“

„Darauf kannst du Gift nehmen“, lacht Kropp.

„Verrückt und drei sind sieben“, ergänzt Kat, „du hast Läuse im Schädel, Tjaden, geh du nur selbst rasch los zur Latrine, damit du einen klaren Kopp kriegst und nicht wie ein Wickelkind redest.“

Tjaden verschwindet.

„Eins möchte ich aber doch noch wissen“, sagt Albert, „ob es Krieg gegeben hätte, wenn der Kaiser nein gesagt hätte.“

„Das glaube ich sicher“, werfe ich ein, – „er soll ja sowieso erst gar nicht gewollt haben.“

„Na, wenn er allein nicht, dann vielleicht doch, wenn so zwanzig, dreißig Leute in der Welt nein gesagt hätten.“

„Das wohl“, gebe ich zu, „aber die haben ja gerade gewollt.“

„Es ist komisch, wenn man sich das überlegt“, fährt Kropp fort, „wir sind doch hier um unser Vaterland zu verteidigen. Aber die Franzosen sind doch auch da, um ihr Vaterland zu verteidigen. Wer hat nun recht?“

„Vielleicht beide“, sage ich, ohne es zu glauben.

„Ja, nun“, meint Albert, und ich sehe ihm an, daß er mich in die Enge treiben will, „aber unsere Professoren und Pastöre und Zeitungen sagen, nur wir hätten recht, und das wird ja hoffentlich auch so sein; – aber die französischen Professoren und Pastöre und Zeitungen behaupten, nur sie hätten recht, wie steht es denn damit?“

„Das weiß ich nicht“, sage ich, „auf jeden Fall ist Krieg, und jeden Monat kommen mehr Länder dazu.“

Tjaden erscheint wieder. Er ist noch immer angeregt und greift sofort wieder in das Gespräch ein, indem er sich erkundigt, wie eigentlich ein Krieg entstehe.

„Meistens so, daß ein Land ein anderes schwer beleidigt“, gibt Albert mit einer gewissen Überlegenheit zur Antwort.

Doch Tjaden stellt sich dickfellig. „Ein Land? Das verstehe ich nicht. Ein Berg in Deutschland kann doch einen Berg in Frankreich nicht beleidigen. Oder ein Fluß oder ein Wald oder ein Weizenfeld.“

„Bist du so dämlich oder tust du nur so?“ knurrt Kropp. „So meine ich das doch nicht. Ein Volk beleidigt das andere –“

„Dann habe ich hier nichts zu suchen“, erwidert Tjaden, „ich fühle mich nicht beleidigt.“

„Dir soll man nun was erklären“, sagt Albert ärgerlich, „auf dich Dorfdeubel kommt es doch dabei nicht an.“

„Dann kann ich ja erst recht nach Hause gehen“, beharrt Tjaden, und alles lacht.

„Ach, Mensch, es ist doch das Volk als Gesamtheit, also der Staat –„, ruft Müller.

„Staat, Staat“ – Tjaden schnippt schlau mit den Fingern –,

„Feldgendarmen, Polizei, Steuer, das ist euer Staat. Wenn du damit zu tun hast, danke schön.“

„Das stimmt“, sagt Kat, „da hast du zum ersten Male etwas Richtiges gesagt, Tjaden, Staat und Heimat, da ist wahrhaftig ein Unterschied.“

„Aber sie gehören doch zusammen“, überlegt Kropp, „eine Heimat ohne Staat gibt es nicht.“

„Richtig, aber bedenk doch mal, daß wir fast alle einfache Leute sind. Und in Frankreich sind die meisten Menschen doch auch Arbeiter, Handwerker oder kleine Beamte. Weshalb soll nun wohl ein französicher Schlosser oder Schuhmacher uns angreifen wollen? Nein, das sind nur die Regierungen. Ich habe nie einen Franzosen gesehen, bevor ich hierherkam, und den meisten Franzosen wird es ähnlich mit uns gehen. Die sind ebensowenig gefragt wie wir.“

„Weshalb ist dann überhaupt Krieg?“ fragt Tjaden.

Kat zuckt die Achseln. „Es muß Leute geben, denen der Krieg nützt.“

„Na, ich gehöre nicht dazu“, grinst Tjaden.

„Du nicht, und keiner hier.“

„Wer denn nur?“ beharrte Tjaden. „Dem Kaiser nützt er doch auch nicht. Der hat doch alles, was er braucht.“

„Das sag nicht“, entgegnet Kat, „einen Krieg hat er bis jetzt noch nicht gehabt. Und jeder größere Kaiser braucht mindestens einen Krieg, sonst wird er nicht berühmt. Sieh mal in deinen Schulbüchern nach.“

„Generäle werden auch berühmt durch den Krieg“, sagt Detering.

„Noch berühmter als Kaiser“, bestätigt Kat.

„Sicher stecken andere Leute, die am Krieg verdienen wollen, dahinter“, brummt Detering.

„Ich glaube, es ist mehr eine Art Fieber“, sagt Albert. „Keiner will es eigentlich, und mit einem Male ist es da. Wir haben den Krieg nicht gewollt, die andern behaupten dasselbe – und trotzdem ist die halbe Welt feste dabei.“

„Drüben wird aber mehr gelogen als bei uns“, erwidere ich, „denkt mal an die Flugblätter der Gefangenen, in denen stand, daß wir belgische Kinder fräßen. Die Kerle, die so was schreiben, sollten sie aufhängen. Das sind die wahren Schuldigen.“

Müller steht auf. „Besser auf jeden Fall, der Krieg ist hier als in Deutschland. Seht euch mal die Trichterfelder an!“

„Das stimmt“, pflichtet selbst Tjaden bei, „aber noch besser ist gar kein Krieg.“

Er geht stolz davon, denn er hat es uns Einjährigen nun mal gegeben. Und seine Meinung ist tatsächlich typisch hier, mann begegnet ihr immer wieder und kann auch nichts Rechtes darauf entgegnen, weil mit ihr gleichzeitig das Verständnis für andere Zusammenhänge aufhört. Das Nationalgefühl des Muskoten besteht darin, daß er hier ist. Aber damit ist es auch zu Ende, alles andere beurteilt er praktisch und aus seiner Einstellung heraus.

Albert legt sich ärgerlich ins Gras. „Besser ist, über den ganzen Kram nicht zu reden.“

„Wird ja auch nicht anders dadurch“, bestätigt Kat.

Zum Überfluß müssen wir die neu empfangenen Sachen fast alle wieder abgeben und erhalten unsere alten Brocken wieder. Die guten waren nur zur Parade da.

 

(Erich Maria Remarque, Im Westen Nichts Neues (1929). Fragment uitg. bij Kiepenheuer & Witsch, Köln, 2005  p. 140-144.)

Alleen al deze regel doet je eeuwig van het boek houden.

WP_20151112_002[1]

Of het slot:

Alzoo vertrok Pallieter, de dagenmelker,

uit het Netheland, en ging

de wijde, schoone wereld in, lijk de

vogels en de wind.

(Felix Timmermans, Pallieter. Zie ook het jongste jaarboek van het Timmermansgenootschap, p. 43 en 51.)